Soms zegt een beeld meer dan een hele uitleg. Dit poppetje bijvoorbeeld. Een vechter. Blond haar. Gebalde vuisten. Boze blik. In de arena en klaar voor de strijd.
Hoe vaak staan we zelf in een arena?
In mijn werk ontmoet ik veel mensen die niet snel opgeven. Die doorgaan als het tegenzit, die oplossingen zoeken en het nog een keer proberen. En als dat niet lukt: nóg een keer. Mensen met vechtlust.
En eerlijk is eerlijk: ik herken daar ook iets van mezelf in. Soms misschien iets te veel. Doorzetten voelt vertrouwd. Als iets niet lukt, wil ik graag weten waarom. Kan het anders? Kan het beter? Is er nog iets wat we niet hebben gezien? Vechten kan iets moois hebben. Soms heb je die kracht gewoon nodig. Zeker wanneer je leven ineens verandert.
Als je na gezondheidsproblemen opnieuw je weg probeert te vinden, kan iets wat altijd vanzelfsprekend was ineens helemaal niet meer vanzelfsprekend zijn. Wat gisteren nog lukte, kan vandaag te veel zijn. En toch wil je verder. Je wilt weer werken. Meedoen. Jezelf weer herkennen. Soms gaat dat ook samen met verdriet of boosheid. En laten we eerlijk zijn: dat is ook niet zo vreemd. Boosheid over wat je is overkomen. Over wat je hebt moeten inleveren. Over het feit dat anderen niet altijd zien hoeveel moeite iets kost.
Dus zet je je schouders eronder. Nog een stap. Nog een poging. Nog even volhouden.
Dat begrijp ik. Sterker nog: ik vind het bewonderenswaardig. Maar ergens in zo’n traject kan er een moment komen waarop ik mezelf afvraag: Waar vechten we eigenlijk tegen? Je kunt vechten vóór herstel. Vóór zelfstandigheid. Vóór werk. Vóór een leven waarin je weer kunt meedoen. Maar je kunt ook ongemerkt gaan vechten tegen wat er veranderd is. Tegen je lichaam. Tegen je grenzen. Tegen de energie die er niet meer vanzelfsprekend is. Tegen het feit dat iets anders moet dan je had bedacht. En dat gevecht kost veel. Misschien wel precies de energie die je nodig hebt om iets nieuws op te bouwen.
Wat doe je als iemand heel graag wil? Dan wil je die wil niet afremmen. Je wilt geen streep zetten door iemands ambitie. Dan is een andere vraag nodig.
Niet: Hoe krijgen we terug wat er was?
Maar: Wat is er nu mogelijk?
Dat is een lastige vraag. (Understatement). Want een andere richting kiezen kan voelen als opgeven, terwijl dat het helemaal niet hoeft te zijn. Misschien is het juist een andere vorm van doorzetten. Niet meer bewijzen dat je kunt wat je vroeger kon, maar onderzoeken wat nu bij je past. Niet vechten tégen jezelf, maar vóór jezelf.
En daar zit voor mij ook iets persoonlijks in. Ik schrijf dit niet als iemand die van een afstand naar al die strijders kijkt. Ik ben er zelf ook één. Ik weet hoe verleidelijk het kan zijn om nog één keer door te zetten. Om niet toe te geven. Om te denken: als ik het maar anders aanpak, dan lukt het wel. Dus misschien herken ik die vechter bij anderen juist zo goed.
Vechtlust mag er zijn. Die zou ik ook niet willen kwijtraken. Misschien hoeft alleen de vraag af en toe gesteld te worden: Waar wil je eigenlijk voor vechten? Want soms is de grootste kracht niet dat je blijft doorgaan. Maar dat je ontdekt welke strijd de moeite waard is.


