Wanneer goed nieuws niet het hele verhaal vertelt
Over opbouwen, belastbaarheid en de vraag die we soms vergeten
De vakantieperiode is begonnen. Opvallend veel cliënten die aan het re-integreren zijn, zeggen de laatste weken hetzelfde: “Ik ben echt toe aan vakantie.” Dat klinkt heel normaal. Wie kijkt er niet uit naar een paar weken rust en leuke dingen doen?
Toch luister ik nèt iets anders naar die opmerking. Want soms zegt die ene zin minder over vakantie dan over de inspanning die iemand dagelijks moet leveren om weer aan het werk te zijn.
Wanneer een medewerker weer aan het werk gaat, ontstaat vaak opluchting. De eerste uren worden opgebouwd, collega’s zien iemand weer op de werkvloer en de agenda vult zich langzaam weer.
Iedereen is blij. En terecht. Iedere stap vooruit is waardevol.
En toch merk ik dat ik op zo’n moment vaak een extra vraag stel. Want juist wanneer een medewerker weer zichtbaar meedoet, wanneer collega’s blij zijn iemand terug te zien en de uren worden uitgebreid, ontstaat gemakkelijk het beeld dat het herstel de goede kant op gaat. Vaak is dat ook zo. Maar soms vertelt het zichtbare succes niet het hele verhaal.
Want de vraag die daaronder ligt, is niet alleen: “Hoeveel uur werkt iemand inmiddels?”
Maar ook: “Wat kost het iemand om dit vol te houden?”
Een medewerker die 4 uur werkt, is niet automatisch 4 uur belastbaar. De inhoud van het werk, de verantwoordelijkheid, de hoeveelheid prikkels, overleggen en benodigde concentratie bepalen minstens zo sterk hoe zwaar een werkdag daadwerkelijk is.
Juist op dat punt zie ik in de praktijk regelmatig dat we ons kunnen laten leiden door wat zichtbaar is. Niet omdat een medewerker onvoldoende gemotiveerd is. En ook niet omdat een leidinggevende iets verkeerd doet. Integendeel.
Vaak willen alle betrokkenen hetzelfde: dat iemand weer vooruitgaat. Maar juist die gezamenlijke opluchting en blijdschap kunnen ervoor zorgen dat we minder snel stilstaan bij de vraag of het tempo ook echt passend is.
Soms verloopt de urenopbouw volgens plan, terwijl iemand thuis volledig uitgeput op de bank belandt. Op papier gaat het goed. In werkelijkheid kost het herstel steeds meer energie. Dat zie je bijvoorbeeld wanneer:
- een medewerker het werk wel volhoudt, maar daarnaast nauwelijks energie overhoudt
- klachten eerder toe- dan afnemen
- herstelmomenten steeds belangrijker worden
- kleine verstoringen direct leiden tot terugval
- iemand vooral vertelt wat hij denkt te moeten kunnen, in plaats van wat daadwerkelijk haalbaar blijkt.
Misschien moeten we tijdens een re-integratie daarom niet alleen vragen: “Hoeveel uur werk je inmiddels?” Maar ook: “Hoe heb je die uren ervaren?” en “Hoeveel energie hield je daarna nog over?” en “Is dit ook volgende week en volgende maand nog vol te houden?”
Want duurzame re-integratie gaat niet over zo snel mogelijk terugkeren. Ze gaat over terugkeren op een manier die ook over een paar maanden nog werkt. Misschien is dat wel de grootste uitdaging tijdens een re-integratie. Niet alleen kijken naar de stappen die iemand zet, maar ook blijven luisteren naar wat die stappen vragen. Want vooruitgang mag gevierd worden.


