Over tempo en belastbaarheid bij re-integratie.
Deze column verscheen in Reuma Magazine no. 5 2026
Dagelijks krijg ik vragen over re-integratie en werk. In mijn column in Reuma Magazine beantwoord ik steeds één vraag. Namen verander ik, verder laat ik de vraag zoals deze is gesteld.
Twijfel over tempo
“Hoe weet ik eigenlijk of ik goed zit in mijn opbouw? Ik ben bang dat ik te snel ga, maar soms voelt het ook alsof ik te voorzichtig ben.”
Want waar “te snel gaan” nog wel herkenbaar is, is “goed gaan” dat een stuk minder. Het voelt namelijk zelden spectaculair. Veel mensen verwachten dat een goede opbouw betekent dat het steeds beter gaat. Minder klachten, meer energie, duidelijke vooruitgang.
Praktijk
Maar in de praktijk ziet het er vaak anders uit. Re-integreren is zelden een rechte lijn. Het is vaker een wat rommelig pad. Soms zelfs een beetje onbegaanbaar.
En dat is niet meteen een probleem. Het hoort erbij. Een goede opbouw is meestal… een beetje saai. Geen grote sprongen, maar kleine stappen. Geen duidelijke vooruitgang per dag, maar een lijn die over weken langzaam omhooggaat. En soms zelfs dagen waarop het weer even minder gaat. En toch klopt het.
In een eerdere column schreef ik over dat denkbeeldige verkeersbord van 30 kilometer per uur. Over niet te hard gaan, om te voorkomen dat je uit de bocht vliegt. Maar alleen afremmen is niet genoeg. Je wilt ook weten of je nog goed zit.
Goede dag?
Wat ik vaak zie, is dat mensen een “goede dag” verwarren met een “goed tempo”. Een dag waarop het lukt, waarop je denkt: “zie je wel, het gaat beter.” En dan komt de neiging om door te pakken. Iets meer uren, iets meer doen. Terwijl juist daar het risico zit.
Want als iemand zegt: “het gaat eigenlijk best goed”, stel ik vaak nog een extra vraag. Wat maakt dat het goed gaat? Is het omdat het echt beter in balans is? Of omdat je weer bent gaan werken zoals je vroeger deed? Meer doen dan eigenlijk kan. Minder pauzes nemen. Toch nog even doorgaan. Dat voelt vertrouwd. Soms zelfs alsof je “er weer bent”. Maar vaak is het precies het moment waarop je ongemerkt over je grens heen gaat.
En vaak merk je dat pas als je een paar stappen terug moet doen.
Goed tempo
Een goed tempo herken je namelijk niet aan die ene dag, maar aan wat er daarna gebeurt.
- Kun je het de volgende dag weer?
- Blijft je energie een beetje overeind?
- Herstel je zonder dat het je hele vrije dag kost?
Daar zit de echte informatie.
Ruimte
Een opbouw die past, geeft vaak iets onverwachts: ruimte.
Ruimte om een keer een mindere dag te hebben, zonder dat alles instort.
Ruimte om iets extra’s te doen, zonder dat je daar meteen de prijs voor betaalt.
Ruimte om niet continu bezig te zijn met “red ik het wel?”
En misschien nog wel het belangrijkste: het voelt haalbaar. Een goede opbouw voelt zelden spectaculair, maar wel stabiel. Niet altijd makkelijk. Niet altijd zonder klachten. Maar wel als iets wat je kunt volhouden. En dat is uiteindelijk waar het om draait. Niet hoe snel je vooruitgaat, maar of je blijft staan.
Wanneer zit je goed in je opbouw?
- Je houdt energie over aan het einde van de dag
Niet altijd veel, maar wel genoeg om nog iets anders te doen dan alleen herstellen. - Je klachten blijven stabiel
Ze zijn er misschien nog, maar nemen niet duidelijk toe door het werk. - Je kunt het tempo meerdere dagen volhouden
Niet één goede dag, maar een ritme dat een beetje blijft staan. - Er is ruimte voor kleine tegenvallers
Een drukke dag of een slechte nacht gooit niet meteen alles omver. - Het voelt als haalbaar in plaats van zwaar
Je denkt vaker: “dit lukt”, in plaats van “ik moet dit volhouden”.


