Wat zullen ze wel niet denken?

Zaterdagavond. Het is druk in Hoofdorp. Anton en ik gaan naar de film met Peter en Tineke. Peter rijdt.

Nu zijn er twee ‘hiccups’. Eén: zeggen dat ik het fijn vind als hij dicht bij de bioscoop parkeert en twee: vertellen dat ik ‘zo’n blauwe kaart’ heb.

Nummer één lukt redelijk nonchalant, nummer twee komt er wat heftig uit. Als we een heel volle parkeerplaats oprijden en een plekje zoeken roep ik: ‘Kijk! Daar kunnen we parkeren, een hele rij voor de blauwe kaart!’, en laat mijn kaart zien.

Nou, dat is wel duidelijk dan. Peter neemt de kaart aan en legt hem op het dashboard. We stappen uit. Op naar de film.

‘Ik werd er vanmiddag nog door een man op aangesproken dat ik parkeerde op een invalidenparkeerplek’, vertel ik. ‘Hij zei dat ik er helemaal niet invalide uitzag.’ Anton lacht.

En toen zei jij zeker met een gekke stem: ’Dat klopt. Mijn handicap is geestelijk?’ ‘Hahaha.’ Lachend lopen we verder.

Hè, wat flauw eigenlijk … ’Nee, natuurlijk heb ik dat niet gezegd.’

Dit vind ik niet leuk. Maken ze er een grapje van.

Maar ja, ik vertel het immers zelf als begin van een anekdote. Beetje luchtig als in ‘by the way’ en dan komt het.

Waarom begin ik er ook eigenlijk over? En waarom is het lastig om iets over mezelf en mijn minder gezond zijn te vertellen?

Ik maak me dan toch altijd weer druk om de reactie van anderen en vind het vervolgens moeilijk om daar goed op te reageren.

Wat gebeurde er eerder die dag?

Weekendboodschappen. Dus met de auto en – als er geen plekje dichtbij is – parkeren op een van de twee GPK-parkeerplaatsen bij ons op het winkelcentrum.

Liefst die ene het dichtst bij de AH. Kaart neerleggen, uitstappen, tassen pakken, oversteken. Ik loop langs een auto die nóg dichter bij de winkels staat.

Dat kost je zó driehonderd euro hoor’, zegt een man vanuit de auto.

Verbaasd vraag ik: Hoezo?’, me totaal niet beseffend waar dit over gaat.

‘Jaha, u staat op een invalidenplek geparkeerd.’

‘O, maar ik heb een kaart hoor, ik mág daar staan.’

Ik glimlach.

Nou já, je ziet er helemaal niet gehandicapt uit’, zegt de man, terwijl hij met zijn handen naar mij gebaart.

Dank u, daar doe ik erg mijn best voor’, zeg ik vriendelijk en lach.

Heel even is het stil.

Dan lachen we allebei.

Doe je goed’, zegt hij. Dag, een fijne dag.’

Dag, u ook een fijne dag verder.’

En ik? Loop door, de winkel in. Beetje in mezelf, wat overdonderd. Met glimlach.

De film

Het is een heerlijke film: De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween.

We hebben allemaal het boek gelezen. Ik geniet, maar verhip af en toe van de pijn.

Een heel akelige pijn.

Ik hoop straks een beetje normaal naar de auto te kunnen lopen. O! Eerst nog hier de trappen af. Pffff … Ik focus op de auto en loop strak door. Wat een k@%&X eind is dat!

Met een ‘fijn hoor dat je die kaart hebt, ik zou er lekker gebruik van maken’ krijg ik mijn kaart terug. Ik kies ervoor om niets te zeggen, behalve: ‘Ja, dank je wel.’

Wat vertel jij? En … wie denkt er dan iets?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

18 − 8 =